Hoe de d in geschiedenis kwam

In het Middelnederlands hadden de woorden geschieden, spieden en bevrijden nog geen d. De d die er nu in zit, is het gevolg van hypercorrectie: een fout die ontstaat door angst voor een fout. Hoe is dat precies gegaan? In dit artikel leg ik het uit en vertel ik alles over een eigenschap die het Nederlands van het Engels en het Duits onderscheidt.

Een d tussen klinkers
In het vroege Middelnederlands waren er twee soorten d’s. De ene d was dubbel. Die sprak je daadwerkelijk dubbel uit, of – beter gezegd – lang, zoals in de Engelse combinatie bad day of in het Italiaanse freddo. Zo’n lange d kwam alleen na korte klinkers voor, zoals in bedde /bɛddə/ (bed). Later werd die lange d verkort, maar de spelling bleef dubbel. Daardoor schrijven we nu nog steeds bedden, midden en vodden, terwijl we exact dezelfde /d/ uitspreken als in roedel.

De andere d was een enkelvoudige /d/. Die kwam juist alleen na lange klinkers en tweeklanken voor, zoals in quade /kwaːdə/ (kwade), den /riːdən/ (rijden), gouden /ɣɔu̯dən/ en broeder /bruə̯dər/.

In het late Middelnederlands gebeurde er iets bijzonders met die enkelvoudige /d/: hij begon weg te vallen en dat gebeurde op verschillende manieren. De verandering is in het Standaardnederlands nooit voltooid en er zijn nog altijd dubbelvormen: de oude en de nieuwe vorm naast elkaar.

De /d/ valt weg
In het hele taalgebied waren er woorden waar de /d/ gewoon uit verdween. Hij nam de daaropvolgende stomme e /ə/ met zich mee. Van dit soort woorden zijn er drie groepen.

In de afbeelding hieronder vind je voorbeelden van groep 1. Deze groep bestaat uit woorden die hun oude d-voorganger hebben verdrongen.

Van andere woorden zijn zowel de oude d-variant als de nieuwe d-loze variant bewaard gebleven. In veel gevallen voelt de d-variant schrijftaliger, formeler of zelfs plechtstatiger aan dan de d-loze variant. Een aantal voorbeelden van groep 2:

In bepaalde gevallen heeft de d-vorm in het meervoud een andere status. Het meervoud van wei is gewoonlijk weiden of weides; weien is niet voor iedereen acceptabel. Bij tree hebben treeën en trees iets spreektaligs, net als sleeën bij slee. *Slees bestaat dan weer niet. Treden voelt voor mij neutraal, maar sleden juist weer schrijftalig.

Woorden van groep 3 hebben een variant die een andere betekenis heeft gekregen. De d-variant en de d-loze variant zijn dus elk een eigen leven gaan leiden en zijn niet inwisselbaar:

De /d/ wordt een /j/ of /w/
In het midden en het oosten van het Middelnederlandse taalgebied werd de /d/ in de veertiende eeuw in bepaalde woorden een /j/. Als de /d/ vooraf werd gegaan door de tweeklank ou /ɔu̯/, veranderde hij in een /w/.

Er zijn twee groepen van dit type d-wegval. In de eerste groep woorden bestaat de oude d-variant niet meer:

Groep 2 is te vergelijken met de eerdere groep 2: de vormen met een /j/ of /w/ worden als spreektalig ervaren, waarbij de ene nog informeler is dan de andere:

In bepaalde gevallen hebben de /j/- en /w/-vormen een eigen gebruik gekregen. Zo zeg je eerder kwaaie als dat woord slechte betekent, zoals in kwaaie zin hebben en een kwaaie pier. In de ikvorm en gebiedende wijs worden werkwoorden als snijden en houden vaak in hun d-loze vorm gebruikt, ook in de schrijftaal: snij de wortel in stukjes en ik hou van je. In andere gevallen is alleen de d-loze vorm mogelijk: snijplank, uitglijer en glijbaan, want *snijdplank, *uitglijder en *glijdbaan bestaat niet. Denk ook aan op z’n dooie gemak; niemand doet iets op z’n dode gemak.

Daartegenover staan heel wat woorden die noch in het formele, noch in het informele Standaardnederlands een d-loze vorm kennen. D-loze vormen bestaan wel in de streektalen, maar zijn niet tot de standaardtaal doorgedrongen. Hieronder vind je voorbeelden met hun equivalenten in mijn Midden-Brabantse dialect:

De /d/ is vooral behouden voor de uitgang -en van werkwoorden en meervoudsvormen, terwijl de streektalen ook in dat laatste geval d-loze vormen kennen, zoals paoi (paden), broôi (broden) en smeeje (smeden). Ook in wat formelere woorden als hoede, genade, reden en schade is de d behouden, terwijl dialecten als het mijne vormen als hoei, genaoi, reeje en schaoi hebben.

De /d/ verdween ook niet in woorden waarin dat zou hebben geleid tot samenval met een ander woord. Zo behield bloeden zijn /d/ vanwege bloeien. Hier in Noord-Brabant is dat anders: hier zeggen kinderen dat hun vinger bloeit als ze die hebben opengehaald. Die vorm komt uit de dialecten, waar bloeden de vorm bloeie heeft en bloeien de vorm bluuje.

Sommige d-loze vormen worden niet meer geassocieerd met hun d-variant. Zo is moer – zo’n ding met een gat – een verkorting van moerschroef, dat van moederschroef komt. In een moerschroef gaat een vaarschroef: een vaderschroef – zo’n staafje. Denk ook aan moerstaal en aardje naar zijn vaartje.

D-loze vormen vermijden
Een terugkerend thema in de eerdere paragrafen is het feit dat d-loze varianten als informeel of spreektalig worden ervaren. Op het nieuws zul je nooit horen dat er ergens honderden dooien zijn gevallen.

Daarbij zijn er gradaties: goeie is bijvoorbeeld minder informeel dan dooie. Taalgebruikers voelen zulke verschillen aan. Een verslaggever weet dat hij na een vliegramp niet moet spreken over dooien, maar wie in een kruipruimte komt kan best roepen dat er een dooie rat ligt.

Doordat formele vormen prestige hebben en informele niet altijd gepast zijn, bestempelen mensen die laatste soms als slordig, onbeschaafd, ordinair of zelfs fout. De angst voor zo’n fout kan een interessant gevolg hebben: hypercorrectie.

De discussie zal opladen
Pieter van Vollenhoven zei in 1985 op de radio dat hij niet verwachtte dat ‘de discussie weer zal opladen‘. Wat hij bedoelde was oplaaien. Kennelijk zag hij oplaaien als een informele, d-loze vorm, zoals kwaaie en dooie, en wilde hij die vervangen door de ‘juiste’ vorm opladen. Maar oplaaien heeft nooit een d-variant gehad. Het woord komt van laaie (vlam), dat verwant is aan het Middelengelse leye. Opladen in de betekenis oplaaien is dus een hypercorrecte vorm, die geboren is uit de angst om het fout te doen.

Toen de d-loze vormen van woorden als weder, rode en weide ontstonden, hadden die nieuwe vormen minder prestige dan de oorspronkelijke. Bovendien was men gewend anders te schrijven dan men sprak: schrijvers spraken in het dagelijks leven hun eigen streektaal – met d-loze vormen – maar als ze schreven, gebruikten ze vormen mét een d. Daardoor kregen de d-loze vormen een informeel karakter. Dat informele karakter hebben ze altijd behouden (op groep-1-woorden als reu en weer na) en dat heeft al eerder dan Van Vollenhovens opladen-uitglijer geleid tot hypercorrectie – ook bij grote schrijvers.

Saeden, roeden en naeden
In het Etymologicum Teutonicae Linguae (Etymologisch woordenboek van de Nederlandse taal) van 1599 gebruikte Cornelis Kiliaan vormen als saeden, roeden en naeden. Hij zal gedacht hebben dat dat de oorspronkelijke of juiste vormen waren van zaaien, roeien en naaien – waarbij hij mogelijk beïnvloed werd door de gedachte aan zaad, roede en naad. Maar deze werkwoorden hebben nooit een /d/ gehad: zaaien komt van *sēaną (vgl. En. to sow, Du. säen), roeien van *rōaną (En. to row) en naaien van *nēaną (Du. nähen).

Hypercorrecties als saeden zijn nooit standaardtaal geworden, maar andere hypercorrecte d-vormen overleefden het wel. Nu komen we bij de d van geschiedenis.

Gheschien
Geschieden en zijn afleiding geschiedenis behoren tot de hypercorrecties die het Standaardnederlands wél gehaald hebben. De Middelnederlandse vorm was gheschien, uitgesproken met een ië-tweeklank: geskiën /ɣəskiə̯n/. Oorspronkelijk gedroeg het werkwoord zich net als zien. Was dat nog steeds zo geweest, dan was het geschien, geschag, geschien geweest, net als zien, zag, gezien. Vergelijk het Duits: sehen, sah, gesehen met geschehen, geschah, geschehen. Later, toen woorden als glijden d-loze nevenvormen als glijen kregen, begonnen mensen ghescien te zien als d-loze vorm. Ze dachten dat gheschieden de juiste vorm was, net als Van Vollenhoven met zijn opladen.1

Hieronder vind je een aantal hypercorrecte d-vormen die hun d-loze variant compleet hebben verdrongen:

  1. Wat daarbij mogelijk meespeelde, was dat de verleden tijd zwak was geworden. Al in het vroege Middelnederlands werd het een zwak werkwoord met de verleden tijd gheschiede. Die klonk hetzelfde als gheschiedde zou klinken. Mogelijk werd gheschiede geheranalyseerd als gheschied + de, wat dan dus kan hebben bijgedragen aan het ontstaan van de nieuwe stam gheschied-. De woorden die zo’n hypercorrecte d hebben gekregen, hebben echter allemaal een schrijftalig of plechtstatig karakter, en dat is juist een argument voor de hypercorrectieverklaring en niet voor de heranalyseverklaring. Bovendien zou je in het geval van heranalyse ook d’s verwachten bij werkwoorden waarvan de stam op een medeklinker eindigt, zoals *gloorden, doordat gloorde dan geheranalyseerd had kunnen worden als gloord + de, maar zulke gevallen bestaan niet. Het zal geen toeval zijn dat de d’s alleen zijn opgedoken bij woorden waarvan de stam op een klinker of tweeklank eindigt – precies de groep woorden die groter werd door d-wegval.

2 gedachten over “Hoe de d in geschiedenis kwam

Voeg uw reactie toe

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: