Toen we nog verdubbelden

In het Bahasa Indonesia is een mens een orang en zijn meerdere mensen orang-orang. In het meervoud wordt het woord dus verdubbeld. De taalkundige naam van zo'n verdubbeling is reduplicatie. In het Nederlands hebben we ook gevallen van reduplicatie, zoals blabla, dingdong, tiktak en iets blauwblauw laten, maar zulke woorden verschillen van orang-orang. In het... Lees verder →

Weten is gezien hebben

Lang geleden was er eens een driekoppige Proto-Indo-Europese woordstam die zien betekende. Elke kop ging zijn eigen weg in de dochtertalen en kreeg nageslacht. Duizenden jaren later en tientallen taalgeneraties verder waren de kinderen van de kinderen van de driekoppige woordstam zo veel van elkaar gaan verschillen qua vorm en betekenis, dat ze bijna niet... Lees verder →

Us, ús, ons en uns

De Engelse woorden us en goose hebben geen n, net als ús en goes in het Fries. Ons en gans hebben er daarentegen wel een. En ook in de Engelse woorden mouth, other en tooth ontbreekt de n die wel in mond, ander en tand en in Mund, ander en Zahn zit. Daar zit een... Lees verder →

Eieren, eiers en eier

Ei is een van de weinige woorden die een meervoud op -eren hebben. Waar komt die bijzondere meervoudsuitgang vandaan? In dit artikel kijken we naar zijn herkomst en naar de meervoudsvormen in de andere West-Germaanse talen - waaronder de streektalen van Nederland en België. Een kleine onzijdige groepHet aantal woorden dat in het Standaardnederlands een... Lees verder →

Er was ooit een ie

De woorden iets, ieder, immer en iemand hebben één ding met elkaar gemeen: alle vier zijn het samenstellingen van twee woorden, waarvan het eerste woord dezelfde herkomst heeft als eeuw. In dit artikel kom je te weten hoe de vier woorden zijn ontstaan en welke familie ze in de andere West-Germaanse talen hebben. Van *aiwō... Lees verder →

Wat er van worden is geworden

Ons werkwoord worden heeft een interessante geschiedenis, zowel qua vorm als qua betekenis. In dit artikel nemen we die geschiedenis onder de loep. We bekijken de betekenisontwikkeling van dit sterke werkwoord, de bijzondere vormveranderingen die het heeft doorgemaakt, en zijn verwanten binnen de West-Germaanse taalfamilie en de Romaanse. Van keren tot wordenWorden gaat terug op... Lees verder →

De geboorte van ‘het’

Het Nederlandse en Friese de, het Duitse der, die en het Engelse the zijn duidelijk familie, maar de onzijdige lidwoorden lijken heel wat minder op elkaar: het (Nederlands), it (Fries) en das (Duits). Waar komen die verschillen vandaan? Al deze Germaanse lidwoorden zijn ontstaan uit aanwijzende voornaamwoorden, maar de onzijdige vormen het, it en das... Lees verder →

Onherkenbaar Latijn

Gaat het over Latijnse leenwoorden in het Nederlands, dan ligt het voor de hand om aan woorden te denken als museum, professor en agenda. Die leenwoorden zijn via de schrijftaal in het Nederlands terechtgekomen en zien er nog Latijns uit. Tegenover zulke gevallen staat een groep woorden die al heel vroeg aan het gesproken Latijn... Lees verder →

Zijn: een werkwoordenmix

Ben, is, zijn, was, waren, geweest - hoe komt het dat het werkwoord zijn zulke verschillende vormen heeft? Dat komt doordat het een mix is van compleet verschillende werkwoorden. Zulke samengestelde werkwoorden noemen we suppletieve werkwoorden. Vandaag maken we een reis langs de zijn-werkwoorden van de vier grote West-Germaanse standaardtalen - met uitstapjes naar het... Lees verder →

Gaan, ging, went, gegangen

Hoe komt het dat het Engelse to go de verleden tijd went heeft? En waar komt die -ng vandaan in ons ging? In dit artikel leggen we gaan en zijn West-Germaanse zusterwoorden onder de loep. Geen eigen verledentijdsvormenIn het Proto-Germaans waren er twee woorden met de betekenis gaan/stappen die sterk op elkaar leken maar niet... Lees verder →

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑