Meskes en mèskes in Haaren

Meske betekent zowel ‘meisje’ als ‘mesje’ – althans in de Brabantse dialecten van de Langstraat, de Midden-Brabantse regio waar ik ben opgegroeid. Dè meske schelt d’ren appel meej ’n meske.

In Oost-Brabant zit dat anders. Ga je vanuit het oostelijkste Langstraatdorp Vlijmen 12 kilometer naar rechts op de kaart, dan kom je in Rosmalen. Daar is een mesje ook een meske, maar een meisje noemen ze een mèske. Dat accentje zet ik daar met een reden op. Het laat zien dat we hier met een andere klinker te maken hebben: niet de /ɛ/ van bed maar de /æ/ van het Engelse back – wat a-achtiger dus.

In Oost-Brabant heb je namelijk twee soorten korte e’s, en die maken echt een betekenisverschil. Met een net vang je iets, maar nèt is zojuist. Een penneke is een pennetje, maar een pènneke een pannetje. Hier hoor je de drie genoemde paren:

meske vs. mèske; net vs. nèt; penneke vs. pènneke


Waar de grens tussen één e en twee e’s precies loopt, daar is de laatste decennia geen betrouwbaar onderzoek naar gedaan. De Langstraat en de regio Tilburg kennen maar één type e – daar is geen twijfel over – maar waar begint het e/è-gebied? Nou, daar ben ik gisteren in Haaren wat wijzer over geworden.

Taalverschillen

Een tijdje geleden heb ik een groep gepensioneerde vrijwilligers aangeboden om te helpen met het vastleggen van hun taal. Ze zijn een woordenlijst aan het maken van het dialect van Haaren, en daarin zouden ze de klinkers die het Haarens onderscheidt, goed willen documenteren. Mijn ervaring met de Brabantse klankrepertoires en spellingssystemen was welkom, want je moedertaal is zó’n vanzelfsprekendheid dat een paar fonetisch getrainde, vreemde oren goed van pas komt.

Ik liet de mannen allerlei woorden uitspreken, terwijl ik mijn oren spitste. Daarna vroeg ik ze welke woordparen ze vonden rijmen. Wat bleek? Meske en net spraken ze duidelijk anders uit dan mèske en nèt. Het ‘oostelijke’ e/è-gebied ligt dus niet alleen 12 kilometer rechts van Vlijmen, maar ook 12 kilometer pal daaronder! (Met welke regio Cromvoirt en Helvoirt meedoen, moet ik later nog eens uitzoeken.)

De heren vertelden me dat Haaren vroeger nauwelijks contact had met de Langstraat, onder andere doordat de Loonse en Drunense Duinen ertussen liggen. Haaren was meer gericht op het oosten. Dat blijkt dus ook mooi uit de taalverschillen.

Voorbij de 30 klinkers

De manne kunne nou wir ’n tèèjke vurùt, èn ik ging nòr hùis meej ’n wèirm wòrstebreujke èn ’ne vòrse péperkoek van d’n bèkker – om het maar eens op z’n Haarens te zeggen.

PS Ze maken in Haaren zelfs het wat zeldzamere Oost-Brabantse verschil tussen twee korte a-klanken: man rijmt niet op hán (hadden), en adder niet op vádder (vader). De á staat hier voor een half zo lange versie van de aa van taak:

man vs. hán; adder vs. vádder


Tegenover de 16 Standaardnederlandse klinkers heeft het Haarens er 25, bleek uit een overzicht dat we samen hebben gemaakt. Verder naar het oosten zijn er dialecten die zelfs voorbij de 30 zitten.

7 gedachten over “Meskes en mèskes in Haaren

Voeg uw reactie toe

  1. Heel interessant dit. In hán en vádder is duidelijk een stoottoon te horen. Deze spraak komt al in de buurt van een toontaal of is mogelijk gewoonweg een toontaal.

    “A language with tone is one in which an indication of pitch enters into the lexical realization of at least some morphemes.”*

    Larry Hyman, Tone: is it different?, 2001

    Het uitsluiten van toonhoogte in een klank (in de stoottoon) of een vaste toonhoogte toepassen op een klank (in de stoottoon), terwijl andere klanken een niet-lexicale toonvariatie kunnen ondergaan heeft volgens mij een overduidelijke lexicale betekenis. Volgens deze redenering spreken we hier over een toontaal.

    Er zijn heel wat achterhaalde definities van toontaal, sleeptoon en stoottoon. Die van Hyman, ook ondersteund door Carlos Gussenhoven, slaat de nagel op de kop.

    Like

    1. Dag Carlos, leuk om weer van je te horen. Dank je wel voor je kijk op de uitspraak die ik laat horen.

      Ik moet alleen benadrukken dat het toonverschil dat je hoort, in het Brabants contrastief is en niet lexicaal. De tonen die ik gebruik, betekenen voor mij ‘aan de ene kant X en aan de andere kant Y’. Als ik de woorden had omgedraaid, dus hán ~ man en vádder ~ adder, waren het juist man en adder geweest die de toon hadden gekregen die jij identificeert als stoottoon.

      Dat de gemaakte afbakening van het toontaalgebied klopt en het Brabants daar niet binnen valt, blijkt misschien nog het best uit de meervoudsvormen. In de Nederlands-Limburgse toontalen die ik ken, is het woord voor ‘steen’ zowel in het enkelvoud als het meervoud sjtein, maar met het cruciale verschil tussen stoottoon en sleeptoon. In het Brabants vertonen ze geen toonverschil: in het dialect van mijn grootouders is zowel het enkelvoud als meervoud [stiˑɛ̯n], waarbij de toon geheel afhangt van de context.

      Via het linkje hieronder hoor je mij de eerste twee zinnen uitspreken met dezelfde toon, en vervolgens spreek ik de tweede zin uit met een andere betekenis: ‘Er zitten hier twee sténen (en dus geen tegels o.i.d.)’.
      – Dòr leej hier eêne steên. (Er ligt hier één steen.)
      – Dòr ligge hier tweej steên. (Er liggen hier twee stenen.)
      – Dòr ligge hier tweej steên. (Er liggen hier twee stenen.)
      [audio src="https://taalaandewandel.com/wp-content/uploads/2026/02/steen-1.mp3" /]

      Like

      1. Ik schreef dat bepaalde definities achterhaald zijn. Ik heb door eigen onderzoek vastgesteld dat men de gedachte moet laten varen dat stoottoon en sleeptoon contrastief zijn. Zij zijn identificerend, zij vormen de woordgestalte.

        Ik heb dit al uitgebreid uitgelegd in mijn spraakkunst, een werk dat ik nog moet vervolledigen. Maar gezien de lauwe reacties van dialectsprekers en academici zal het nog lang duren eer ik dit afwerk. Dan houd ik me liever bezig met zaken die me veel voldoening geven.

        Hier zijn de hoofdstukken waar ik het heb over deze onderwerpen.

        https://sites.google.com/view/spraakkunst-kinroois/sleeptoon-stoottoon

        https://sites.google.com/view/spraakkunst-kinroois/spelling-van-de-klinkers

        Het intellectuele niveau van Nederlands Limburgse taalkundigen staat op een heel laag pitje. Zij houden van karikaturen. Als men grondig kijkt is er meer te vertellen over deze onderwerpen dan het voorbeeld met het woord stein.

        Er zijn bijvoorbeeld bijwoorden die afhankelijk van waar ze voorkomen in de woord- of zinvorming met stoot- of sleeptoon uitgesproken worden. Dit wordt doodgezwegen door deze taal(on)kundigen. Ze zijn intellectueel te lui om er op te letten. En zoals ik door eigen onderzoek vastgesteld heb, bevestigd door Carlos Gussenhoven in een voordracht, is de intonatiemelodie van een woord met stoot- of sleeptoon variabel.

        Dit is wat de definitie van Hyman perfect weergeeft.

        Ik zie wat ik zie. Ik blijf bij mijn standpunt.

        Ik eindig met een stuk uit mijn werk:

        Ik kwam tot dit inzicht door op YouTube te luisteren naar een voordracht van prof. dr. Marc van Oostendorp over fonologie. Ik citeer zijn voor mij verhelderende uitspraak:

        “… Dat heeft misschien iets te maken met het feit dat we medeklinkers vooral gebruiken voor betekenis van woorden, van woordbetekenis, en klinkers meer [gebruiken] voor grammaticale informatie.”

        Bron: Wat is fonologie? | Fonologie (deel 2)

        Like

      2. Ik heb te weinig verstand van de Limburgse situatie om daar verder op in te kunnen gaan, maar ik wil afsluiten door te herhalen dat we in het Brabants in kwestie onder geen enkele definitie met het type toon te maken hebben dat we in jouw Limburgs vinden. Woorden hebben in de Noord-Brabantse dialecten geen eigen toon: toon is daar niet woord-identificerend en vormt daar dus niet de woordgestalte. Laat je een spreker ‘man’ en ‘hán’ los uitspreken, dan hoor je exact dezelfde toon. Toon wordt daar enkel en alleen bepaald door de zin – factoren als contrast, focus, topic etc. – zoals ik uit hebt gelegd, en ik zou nog tientallen voorbeelden kunnen inspreken die dat bevestigen.

        Typeer je dat Brabants als toontaal, dan kun je het Standaardnederlands, Nedersaksisch, Zeeuws, West-Vlaams, Bildts, Duits, Engels enzovoort ook allemaal als toontaal bestempelen, want die werken exact hetzelfde als het Brabants – en dan is die term niets meer waard.

        Like

  2. Is dah verschil tusse “meske” en “mèske” krek zo’n verschil as in de o-klanke die wi-j in de Liemers (onderdeel van Noord-Nederfrankisch/Kleverlands taalgebied) kenne? De o in “de bos” (NL: het bos) is ’n stuk donkerder as de o in ‘de wos” (NL: de worst). ’t Probleem doorbi-j is dah nie:t-natives ’t verschil ech nie heure!

    Geliked door 1 persoon

    1. Exact, ja. Dat verschil kennen het Midden- en Oost-Brabants ook: ‘hòk’ heeft /ɔ/ maar ‘bok’ heeft /o/ of /ʊ/. Niet-natives horen dat hier ook niet – en zelfs natives soms niet eens. In Waalwijk heb ik eens de grootste discussie gehad met iemand die het verschil duidelijk produceerde maar er niks van wou weten. Pas toen ik hem minimale paren voorlegde – zoals ‘schòltje’ (schaaltje) vs. ‘scholtje’ (schooltje), ‘Spòns’ (Spaans) en ‘spons’, ‘Lòtje’ (naam) en ‘lotje’ (lootje) – daalde het besef in.

      Like

  3. Ik heb op geen enkel moment beweerd of geïnsinueerd dat Brabants een toontaal zou zijn. Ik heb het over de variant in het Brabantse taalgebied die je bespreekt. Die vertoont duidelijke elementen van lexicale tonaliteit. Ik kijk op microniveau, jij projecteert mijn uitspraak op macroniveau.

    Die definitie van Hyman is een enorme stap vooruit ten opzichte van de prietpraat die Limburgse taalkundigen verspreid hebben, maar die definitie is blijkbaar nog te vaag en onvolledig. Ik vermoed ook dat die vooral betrekking heeft op tonen waar men intonatiemelodie in kan waarnemen. Die optiek is ontoereikend.

    In het Engels is er een accidentele lexicale tonaliteit in bijvoorbeeld man/men en omdat dit accidenteel is, is Engels geen toontaal.

    Brabants wordt gesproken in Noord-Brabant, Antwerpen, Vlaams-Brabant en het Brussels gewest. Door toedoen van de Brabantse expansie is er een zeer sterke Brabantse invloed op aangrenzende taalgebieden, waaronder Belgisch Limburg.
    De meeste dialecten in Belgisch Limburg hebben een sterk Brabants karakter. Ze zijn volledig terecht opgenomen in het Woordenboek van de Brabantse Dialecten.
    In het Dommelbekken (Peer, Pelt, Lommel en Hamont-Achel) zegt men “hedde gae/gij”. Brabantser kan het niet worden.
    Al die dialecten uit Belgisch Limburg die opgenomen zijn in het WBD kennen lexicale tonaliteit. En wie met een open vizier en nieuwe kennis op onderzoek gaat in Diest en Mol zal daar hoogstwaarschijnlijk lexicale tonaliteit aantreffen.

    Like

Geef een reactie op yvanspijk Reactie annuleren

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑