Apotheek, boetiek, bodega

De Nederlandse woorden apotheek, boetiek en bodega hebben dezelfde oorsprong. Alle drie komen ze namelijk van het Oudgriekse ἀποθήκη (apothēkē) 'opslagruimte'. Dat woord heeft een succesvolle carrière gehad. Eerst kwam het in het Latijn terecht en vervolgens kreeg het in de Romaanse dochtertalen nazaten. De nazaten boutique en bodega zijn uiteindelijk in veel talen ontleend.... Lees verder →

Zon, soleil en helios: zonnewoorden

Ze heeft een doorsnee van bijna 1,4 miljoen kilometer en onze wereld past er 1,3 miljoen keer in. Ze zet elke seconde 700 miljoen ton waterstof om in helium, produceert zodoende per seconde evenveel energie als honderd miljard atoombommen van een megaton, en doet dat al 4,6 miljard jaar lang onafgebroken. Doordat ze ons precies... Lees verder →

Beleefdheid: slijtage en vervanging

Veel talen hebben naast een informele aanspreekvorm, zoals jij en tu, ook een beleefdheidsvorm, zoals u en vous. U-vormen gebruik je in formele situaties, tegenover iemand met een hogere status, tegenover vreemden van dezelfde of een hogere leeftijd, of om afstand te bewaren. Voor sprekers van het Nederlands en de Romaanse talen is dat de... Lees verder →

Van trāns tot très

In sommige opzichten is het Frans een uitzondering onder de Romaanse talen. Neem het bijwoord van graad dat wij vertalen met zeer, heel of erg. De grote Romaanse talen gebruiken doorgaans het woord dat afstamt van het Latijnse multum (of multō), een bijwoordelijke vorm van multus (veel): heel goed is molto bene (Italiaans), muy bien... Lees verder →

Hebben, haben, to have en avoir, avere, haber

De Germaanse werkwoorden hebben, haben en to have lijken verdacht veel op de Romaanse werkwoorden avoir, avere en haber. Bovendien betekenen ze hetzelfde en worden ze allemaal gebruikt voor de voltooide werkwoordstijden: ik heb gegeten; j'ai mangé. Het kan niet anders of ze zijn verwant. Toch? Nee, dat zijn ze niet. Het is puur toeval... Lees verder →

Oui

Waar komt het Franse oui vandaan? Het is een combinatie van het oude o (ja) en il (hij). In het Oudfrans was het oïl en dat betekende ja als antwoord op een vraag met een hij als onderwerp. Stel je de volgende situatie voor:Est-il parti? (Is hij vertrokken?)- Oïl. (Ja, d.w.z. hij is vertrokken.)Later werd... Lees verder →

Een raadsel: aller en andare

Wie deze blog leest, zou kunnen denken dat historisch taalkundigen de herkomst van elk woord ontrafeld hebben. Zeker niet! Er zijn woorden waarvan de herkomst nog steeds een mysterie is. Neem het Franse aller en het Italiaanse andare: theorieën genoeg, maar geen sluitend bewijs.

Neen en geen

Nee en neen komen van een woordcombi die ooit niet één ding betekende. Precies dezelfde betekenisontwikkeling hebben de Romaanse nee-woorden meegemaakt, zoals Fr. non en Sp. no.De tekst gaat na de afbeelding verder. Zo'n zelfde overeenkomst tussen het Germaans en Romaans is er bij geen. Geen is een combinatie van een en een ontkennend woord... Lees verder →

Verbleekte verkleinwoorden

Nederlandstaligen gebruiken aardig wat verkleinwoorden, maar de Romeinen konden er ook wat van! Sommige Latijnse verkleinwoorden hebben zelfs het basiswoord vervangen: iin het Latijn dat in het huidige Frankrijk werd gesproken, verving het verkleinwoord sōliculum (zonnetje) het basiswoord sōl (zon). Dat leverde uiteindelijk het Franse soleil op. Hieronder vind je nog meer exemplaren.

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑