Zoeken, zocht & to search

Ons woord zoeken is familie van het Engelse to seek. Mensen vragen mij weleens of die twee dan ook verwant zijn aan to search, maar dat is niet het geval: etymologisch hebben ze niets met elkaar te maken. Zoeken en to seek komen van hetzelfde Germaanse woord, maar to search heeft een heel andere herkomst: net als het Franse chercher komt het van een Latijns woord dat ‘rondgaan’ betekende en afstamde van het Oudgriekse woord waar ook cirkel en circus uit zijn ontstaan. Op de infographic zie je hoe het precies zit met de familiebanden.

In het artikel hieronder kom je alles te weten over een andere bijzonderheid: waarom zoeken de vreemde verleden tijd zocht heeft. Het wordt weleens een sterk werkwoord genoemd, maar je zult lezen waarom die benaming eigenlijk niet klopt. Je komt er ook achter wat zocht met dacht te maken heeft, én we maken uitstapjes naar het Engels, Duits, Brabants, Limburgs en Nedersaksisch. Daarbij heeft het fascinerende verschijnsel umlaut een hoofdrol. Tussendoor kun je luisteren naar de gereconstrueerde uitspraak van oude woorden.

13-20 minuten

Zoeken ~ zocht

De verleden tijd van zoeken is zocht. Het wordt daarom weleens een sterk werkwoord genoemd en dus op één hoop gegooid met werkwoorden als rijden ~ reed. Maar eigenlijk mag zoeken zo niet heten. Zoeken is zijn carrière namelijk begonnen als zwak werkwoord à la hakken ~ hakte, maar het is gaandeweg onregelmatig geworden.

Sterke werkwoorden, zoals rijden ~ reed, zijn niet onregelmatig. Ga je van de tegenwoordige naar de verleden tijd, dan verander je de klinker volgens een vast patroon dat je in heel wat werkwoorden terugziet. Zo gaat rijden ~ reed net zoals blijven ~ bleef, lijken ~ leek en tientallen andere. Ze zijn het toonbeeld van regelmaat.

Zoeken gedraagt zich heel anders. In de verleden tijd zocht verandert de klinker op een manier die je in geen één ander werkwoord terugziet. Daarnaast krijg je in plaats van een k een ch. En dan verschijnt er ook nog eens een t. Hoe komt dat?

Regelmatige werkwoorden

De verre voorouder van zoeken en zijn familieleden, zoals het Engelse to seek, het Friese sykje en het Duitse suchen, was een zwak werkwoord, maar door de eeuwen heen stapelden zich allerlei klankveranderingen op. Doordat de tegenwoordige tijd met andere veranderingen te maken kreeg dan de verleden tijd, zijn die twee zo ver uit elkaar gedreven dat we zoeken nu een onregelmatig werkwoord moeten noemen.

Om de ontwikkeling van zoeken te kunnen verklaren, moeten we even stilstaan bij de manier waarop we de verleden tijd van zwakke werkwoorden maken – eerst in het Nederlands en dan in het Germaans van zo’n 2300 jaar geleden.

Verleden tijd

Zojuist hebben we al naar de sterke werkwoorden gekeken. Die zijn met hun duidelijke klinkerpatronen, zoals ij ~ ee in werkwoorden als rijden ~ reed, prima regelmatig te noemen. Tegenover die sterke werkwoorden staan de zwakke. Die maak je niet met een klinkerverandering, maar met een uitgang, zoals in vissen ~ viste.

Je zou kunnen zeggen dat we tegenwoordig twee soorten zwakke werkwoorden hebben: exemplaren waarvan de stam eindigt op een stemloze medeklinker (eentje uit t kofschip) en de rest. Die eerste groep krijgt in de verleden tijd -te, zoals vissen ~ viste. De rest heeft -de, waaronder roven ~ roofde. Er zitten duizenden werkwoorden in elk van deze twee groepen.

Het Proto-Germaans, de verre voorouder van alle Germaanse talen, werkte zo’n 2300 geleden iets anders. In die taal, die we kennen dankzij reconstructie, speelde de hele kofschipkwestie nog niet. Toch waren er verschillende soorten zwakke werkwoorden – vier hoofdgroepen met wat subgroepen. De groep bepaalde de uitgangen die een werkwoord kreeg.

De Proto-Germaanse voorouders van vissen en roven zaten allebei in groep 2. Dat was de grootste. Je kunt werkwoorden in die groep herkennen aan de lange tussenklinker *ō, een [ɔː] als in ons woord zone, die na de stam kwam: *fiskōnan (‘vissen’) en *raubōnan (‘roven’). In de verleden tijd voegde je voor ik-vorm *-dōn toe aan de stam-plus-*ō: *fiskōdōn (‘ik viste’) en *raubōdōn (‘ik roofde’). Die uitgang *-dōn is de directe voorloper van -te én -de. Hieronder hoor je de gereconstrueerde uitspraak van de genoemde woorden.

Van k naar h

Heel anders ging het in groep 1b – die van *sōkijanan, de voorloper van zoeken. De uitgangen van de verleden tijd begonnen niet met een *d maar met een *t, en daar kwam geen klinker *ō voor. De uitgangen werden dus direct aan de stam vastgeplakt. Als we de stam *sōk- combineren met *-tōn, de uitgang voor de ik-vorm van de verleden tijd, zouden we *sōktōn moeten krijgen.

Er zit alleen een addertje onder het 1b-gras: in het Proto-Germaans kwam de medeklinkercombinatie *kt niet voor. Die werd altijd omgezet in *ht: het was dus niet *ktōn maar *htōn. De *h staat hier voor de klank die wij nu met ch schrijven in zocht. Hieronder hoor je *sōkijanan en *sōhtōn:


Voor sprekers van het Proto-Germaans moet deze verandering van *k in *h als regelmatig hebben gevoeld. Hij kwam in meerdere groep 1b-werkwoorden voor, en mensen zullen zich er misschien niet eens van bewust zijn geweest. Je kunt het vergelijken met wat wij met de klanken [z] en de [s] doen in werkwoorden als reizen: in sommige vormen zit een [s] (reis, reist, gereisd) en in andere een [z] (reizen).

Acht & nachten
Acht en nachten zijn verwant aan de Latijnse woorden octō en noctēs. Ze komen allemaal van Proto-Indo-Europese woorden met *kt. In het Latijn bleef de uitspraak intact, geschreven als ct, maar in het Germaans, een verre nicht van het Latijn, veranderde de *k in de klank die nu onze ch is, net zoals in het zojuist besproken *sōhtōn.

Verkorte klinker

Terug naar *sōkijanan en *sōhtōn. In het Oudnederlands waren die woorden in suokan en suohta veranderd. Alle Germaanse beklemtoonde *ō’s werden in het Oudnederlands uo, en de uitgangen *-anan en *-ōn versleten tot -an en -a. Die veranderingen traden op in alle woorden in de taal, dus tot zover was alles regelmatig.

Wat er vervolgens in de verleden tijd gebeurde, zorgde voor de eerste grote onregelmatigheid: suohta werd verkort tot suhta. Klinkers en tweeklanken werden wel vaker verkort als ze gevolgd werden door cht; daar zijn heel wat voorbeelden van, dus dat was op zich niet bijzonder. Maar doordat de tegenwoordige tijd geen cht had en zijn uo dus hield, ontstond er een klinkerwisseling. En dat was er een die alleen in dit ene woord te vinden was.

Suokan werd vervolgens het Middelnederlandse soeken, en suhta veranderde in sochte. Hieronder hoor je eerst de drie genoemde Oudnederlandse vormen en dan de Middelnederlandse:


Om de onregelmatigheid compleet te maken, verdween na de middeleeuwen ook nog eens de -e: sochte werd socht, later gespeld als zocht. Ook dat kwam door een regelmatige klankverandering: de wegval van de slot-e. Brachte, dachte en cochte werden bijvoorbeeld ook bracht, dacht en kocht, en woorden als bedde, kerke, tonghe en rugghe veranderden in de huidige vormen bed, kerk, tong en rug.

Viste & roofde
In gevallen als viste en roofde kon de -e niet weg, want dan hadden we **vist en **roofd gekregen, en die zouden precies hetzelfde geklonken hebben als de tegenwoordigetijdsvormen vist en rooft. Maar zochte was zó anders dan zoekt dat het wel zonder zijn -e kon. In het laatste deel van het artikel vind je meer voorbeelden.


Tot nu toe hebben we gezien wat er is gebeurd in het Hollands, de westelijke dialectgroep waar het Standaardnederlands uit is ontstaan. In het oosten ging het iets anders. Daar werd het verschil tussen de tegenwoordige tijd en de verleden tijd nóg groter. En dat komt door iets wat ook in het Engels is gebeurd.

Eigenaardige klinkers

In de Brabantse en Limburgse dialecten heeft het woord voor ‘zoeken’ niet de klinker die je zou verwachten. Boek, goed en hoef hebben in het Brabants ook oe-klanken, maar in het grootste deel van het Brabantse taalgebied, behalve het uiterste westen van Noord-Brabant, zeg je niet zoeken maar zuke – met een u dus.

In het Limburgs is er ook al zo’n verschil: gewoonlijk vind je daar een oo waar het Nederlands en Brabants een oe hebben – dus book, good en hoof. Maar het Limburgse woord voor ‘zoeken’ is zeuke.

Kijken we over de Noordzee heen naar het Engels, dan zien we dezelfde eigenaardigheid: de Engelse tegenhangers van boek, goed en hoef zijn book, good en hoof, maar zoeken is daar to seek met een ee.

De schuld van een i

Om zuke, zeuke en to seek te kunnen verklaren, moeten we weer even terug naar het Proto-Germaans. In die taal had *sōkijanan nog exact dezelfde klinker als *bōks (‘boek’), gōdaz (‘goed’) en hōfaz (‘hoef’). Maar er was één belangrijk verschil: *sōkijanan had een *i in de volgende lettergreep. Onder invloed van die *i gingen mensen in bepaalde gebieden de *ō mettertijd anders uitspreken dan wanneer er geen *i op volgde.

In de Brabantse dialecten van het Middelnederlands werd het door die *i niet soeken zoals in het Hollands, maar sueken. De spelling ue stond voor een tweeklank die met een u-achtige klinker begonnen moet zijn. Hier hoor je soeken en vervolgens sueken:


Uit sueken is het huidige Brabantse zuke ontstaan, waarvan de exacte uitspraak regionaal verschilt. De verleden tijd is ‘gewoon’ zocht, want daar heeft nooit een *i in gezeten; denk terug aan het Proto-Germaanse *sōhtōn.

In Limburg zien we ook zo’n effect, al is de uitkomst net iets anders: zeuke. De verleden tijd is in de meeste regio’s zóch. Sommige dialecten, zoals het Maastrichts, hebben afgerekend met de onregelmatigheid: daar is het nu zeukde.

Ook in het Engels zorgde de prehistorische *i voor een klinkerverandering. In het Oudengels was het aanvankelijk sœċan (met een eu-klank), dat later sēċan werd (met een ee), terwijl de voorlopers van book, good en hoof een ō hadden: bōc, gōd, hōf. Hieronder hoor je sœċan en sēċan:

Umlaut

Dit i-effect heet in de taalkunde i-umlaut, of kortweg umlaut. Het Standaardnederlands en westelijke streektalen als het Westfries, Hollands, Zeeuws, Oost-Vlaams en West-Vlaams staan erom bekend nauwelijks umlaut te hebben ondergaan. Hoe verder je naar het oosten gaat, hoe meer typen woorden umlaut vertonen. Limburg is een absoluut umlautbolwerk.

De umlautgrens van woorden die in het Germaans *ō plus *i hadden, is de westelijkste van alle typen. Op onderstaand kaartje van Goossens (1970) is het nr. 1, de dikke, doorgetrokken lijn. Ten westen daarvan is het in de streektalen zoeke(n), ten oosten zuke(n), zeuke(n) etc.

Zie voetnoot 1 voor een commentaar op grens 5, die voor Noord-Brabant niet klopt.


Hoe is dat verschil tussen oost en west ontstaan? Het is te wijten aan een verandering in de negende eeuw. In het westen van ons taalgebied sneuvelden de verantwoordelijke i’s al voordat ze umlaut konden veroorzaken.

Uit die tijd hebben we nauwelijks volledig Oudnederlandse teksten, maar toch kunnen we de verandering op de voet volgen. Dat hebben we te danken aan plaatsnamen: in Latijnstalige oorkondes uit het westen zien we dat onbeklemtoonde i’s in plaatsnamen toen al waren afgezwakt tot een e, terwijl ze in het oosten nog een tijdlang consequent met een i gespeld werden. Die i bleef daar dus langer bestaan.

Foot & feet
Umlaut vind je in het Brabants en Limburgs in nog veel meer gevallen. Groen is daar bijvoorbeeld gruun en greun. Dat komt doordat die woorden van *grōniz komen, ook met een *i na de *ō. En voelen is vule en veule, van *fōlijanan. Het Engels doet weer mee: green en to feel.

Soms maakt umlaut zelfs een grammaticaal verschil. In Oost-Brabant wordt voet in het meervoud vuut. Het Limburgs heeft voot en veut. Die meervoudsvormen komen van *fōtiz. Ook hier zien we hetzelfde in het Engels: foot ~ feet.

Nedersaksisch

Tot nu toe hebben we het nog niet gehad over het Nedersaksisch. Dat komt doordat die streektaal – in tegenstelling tot het Brabants en het Limburgs – niet van het Oudnederlands afstamt maar van het Oudsaksisch, destijds een zuster van het Oudnederlands, met een overgangszone die door de Veluwe en de Achterhoek liep.

De Oudsaksische afstammeling van *sōkijanan was niet suokan maar sōkian – nog compleet met i dus. De woorden die uit sōkian zijn ontstaan in de Nedersaksische dialecten, vertonen allemaal umlaut, want het Nedersaksisch wordt geheel ten oosten van de umlautgrens gesproken. Het Twents hoor je bijvoorbeeld zeukn, in het Veluws zuukn, en in het Gronings zuikn. De umlautloze tegenhanger van boek is in die streektalen book, boek en bouk.

Grönn
Ook in het Nedersaksisch vind je umlaut op allerlei plekken. Groen is in het Twents bijvoorbeeld greun, in het Veluws gruun en in het Gronings gruin. De officiële Nederlandse naam Groningen komt van een gewestelijke variant van wat in het Nederlands eigenlijk *Groeningen had moeten zijn. In het Gronings zelf is het Grönn - ook weer met umlaut (en verkorting van de ui).

Umlaut in het meervoud is wat beperkter in het Nedersaksisch. Op de Veluwe is het bijvoorbeeld voet ~ voete en in het Gronings vout ~ voutn zonder umlaut, maar in het Twents vind je de klinkerwisseling wél: voot ~ veute. Zie lijn 3 op de kaart hierboven.

Duits

We moeten het ook nog hebben over het Duits, want dat is een vreemde eend in de bijt. Die taal staat zo bekend om zijn umlaut dat we de twee puntjes waarmee umlautklinkers in die taal worden aangegeven, zélf umlaut zijn gaan noemen. Groen is daar bijvoorbeeld grün, en Fuß heeft als meervoud Füße.

Je zou ook süchen verwachten, met umlaut, net als in onze oostelijke streektalen, maar het is gek genoeg suchen – met dezelfde klinker als Buch, gut en Huf.

Gaan we zo’n 900 jaar terug, naar het Middelhoogduits, dan treffen we variatie aan: enerzijds had je het umlautloze suochen en anderzijds süechen mét umlaut. Die tweede vorm is alleen bewaard gebleven in bepaalde regionale talen, zoals het zuidelijke Alemannisch met süeche. Süechen ligt ook aan de basis van het Luxemburgse sichen. Hieronder hoor je suochen en süechen:

Hoe de umlautloze vormen suochen en dus suchen zijn ontstaan, is niet bekend. Mogelijk is de umlautloze klinker van de verleden tijd algemeen gemaakt.

We hebben nu alle bijzonderheden van zoeken en zijn familieleden gezien. Tot slot gaan we nog even terug naar de Proto-Germaanse verandering van *kt in *ht. Die verklaart namelijk ook heel mooi een stel andere onregelmatige werkwoorden.

Dacht & doorwrocht

De ch die we zien in dacht, is op dezelfde manier ontstaan als die van zocht. Het woord denken stamt namelijk af van *þankijanan (þ = th), maar dacht komt van de verleden tijd *þanhtōn, waarin *kt in *ht is veranderd.

De oudste umlaut
In dit geval heeft ook het Standaardnederlands umlaut: in denken is de a van *þankijanan een e geworden vanwege de *i. Umlaut trad in het westelijke Oudnederlands namelijk wel op bij een korte a - sterker nog: we vinden deze umlaut in álle West-Germaanse talen. Hij heet daarom de oudste umlaut: hij is opgetreden toen de *i er overal nog was.


Ook brengen ~ bracht zit in deze groep: die woorden komen van *brangijanan ~ *branhtōn. De g, uitgesproken als in het Engelse goal, is namelijk niet meer dan de stemhebbende tegenhanger van de k. De combinatie *gt veranderde het Proto-Germaans daardoor ook in *ht.

To teach & to buy
Het Engels heeft nog twee extra gevallen: to teach ~ taught (van *taikijanan ~ taihtōn) en to buy ~ bought (van *bugjanan ~ *buhtōn). Op het Europese vasteland zijn deze woorden verloren gegaan. Hadden we ze bewaard, dan hadden we waarschijnlijk *teken ~ *techt en *buggen ~ *bocht gehad, als ze de verwachte klankveranderingen hadden ondergaan. Maar dat zullen we nooit weten.

Catch ~ caught is pas later ontstaan: het was catched, maar onder invloed van taught is het caught geworden.


In het woord doorwrocht vinden we tot slot nog een restje van het oude voltooid deelwoord van werken. In het Middelnederlands was het namelijk werken ~ wrochte ~ gewrocht. Die vormen kwamen van *wurkijanan ~ *wurhtōn ~ *wurhtan, waarbij de r later over de klinker sprong. Uiteindelijk is het werkwoord regelmatig gemaakt, maar doorwrocht is niet *doorwerkt geworden. In het Engels heb je nog wrought iron, ‘smeedijzer’, letterlijk ‘bewerkt ijzer’. Vroeger was het daar to work ~ wrought ~ wrought.

Noten

  1. Op de kaart van Goossens (1970) kan nr. 5 (gestippeld) niet juist zijn voor Noord-Brabant. De umlaut in diminutieven (verkleinwoorden) loopt een heel stuk naar het westen, iets rechts van nr. 2. In plaatsen als ‘s-Hertogenbosch, Vlijmen, Udenhout en Tilburg is umlaut alomtegenwoordig: man ~ mènneke, kòp ~ kùpke, pop ~ pupke, bôom ~ bumke, boek ~ buukske – en alleen al in het relatief westelijke Vlijmens meer dan honderd andere woorden.
    Tegenwoordig hoor je de umlaut vooral nog bij dialectsprekers van boven de pensioenleeftijd, maar bij volwassenen in 1970 moet hij nog zeer algemeen geweest zijn.
    Het is mij niet duidelijk waarop Goossens zijn kaart gebaseerd heeft. De kaart is in allerlei werken opgenomen, waardoor de verkeerde informatie een eigen leven is gaan leiden.

Plaats een reactie

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑