Plaintjes in het dictee

Onlangs gaf ik een dictee aan een groep die ik momenteel Nederlands als tweede taal onderwijs. Het was geen dictee van het bizarre type dat NPO2 vroeger uitzond, met praktisch ongebruikte woorden als przewalskipaard, crapaudtje en konterfeitsels, maar een dictee dat liet zien in hoeverre de cursisten de Nederlandse klank-teken-koppeling onder de knie hadden. Een van de zinnen bevatte het woord plantje. Al die letters en klanken kenden de cursisten al, dus ze moesten het zonder problemen kunnen spellen. Dat dacht ik althans. Meerdere cursisten schreven namelijk plaintje op – en dat was niet te wijten aan hun oren maar aan mijn uitspraak. In dit stuk kom je te weten hoe dat zit.

9-14 minuten

Het toeval wil dat ik vanochtend ook nog eens een e-mail kreeg van een lezer van mijn rubriek Taal aan de wandel in het blad Onze Taal. Hij wilde me wijzen op wat hij een spraakgebrek noemde: veel Nederlanders stoppen een soort i-klank in woorden als plantje, hondje en kransje. Het resultaat daarvan zou je kunnen opschrijven als plaintje, hoindje en krainsje. Hieronder hoor je me de woorden eerst zónder i-klank uitspreken:


Maar dat is niet mijn natuurlijke uitspraak. Ik behoor namelijk tot de groep mensen die een i-klankje toevoegt – een feit waar het dictee me met de neus op had gedrukt. Als ik er niet op let, zeg ik het volgende:


Waarschijnlijk versta je dat gewoon als plantje, hondje en kransje, maar fonetisch is er meer aan de hand: tussen de klinker en de n zal de goede luisteraar een licht i-klankje horen. Het is daarom heel logisch dat mijn cursisten – aandachtige luisteraars die exact wilden opschrijven wat ik uitsprak – met hun plaintjes aankwamen.

Waar haal ik die i-klank in mijn uitspraak vandaan? Het is geen spraakgebrek – en dat zeg ik niet omdat ik het zelf doe (en met mij talloze andere Nederlanders). Nee, het is een natuurlijke, goed verklaarbare verandering. Als we zulke uitspraakveranderingen een spraakgebrek zouden noemen, zou je de hele hedendaagse uitspraak van het Nederlands een spraakgebrek moeten vinden, want elke klank die we uit onze mond laten komen, is het resultaat van een verandering die ergens in de geschiedenis van onze taal is opgetreden.

In het vervolg van dit artikel vertel ik hoe uitspraken als plaintje, hoindje en krainsje ontstaan zijn. We kijken tot slot even naar het Frans, dat zo’n tussen-i‘tje ook heeft – of beter gezegd: had.

Plantje ontleed

De tj-klank

Het woord plantje is opgebouwd uit plant en het achtervoegsel -je, maar we spreken in Nederland geen opeenvolging van een t-klank en j-klank uit. Als je die twee medeklinkers namelijk los na elkaar uit zou spreken, zou je dit krijgen:


In plaats daarvan smelten de t en de j samen tot een klank die noch een t noch een j is. De exacte uitspraak daarvan verschilt per regio en generatie, maar die van mij klinkt als volgt, hier in de vormen tja, atja, atj, tj:


Deze klank zou je als volgt kunnen noteren in het Internationaal Fonetisch Alfabet: [c̟͜ɕ]. Voor het gemak noem ik hem in dit artikel de tj-klank.

We maken hem op een andere manier dan de t. Even een beetje fonetiek: bij de t druk je je tong tegen je tandkas, net achter je voortanden. De tj-klank maak je daarentegen een eindje verder naar achteren: je drukt de tong tegen het harde gehemelte.

De wetenschappelijke naam van het harde gehemelte is het palatum. We noemen de tj-klank daarom een palatale medeklinker. De j in woorden als je is ook een palatale medeklinker en dat is geen toeval: de j heeft ervoor gezorgd dat de combinatie t-j de huidige palatale tj-klank werd. (Maar nogmaals: in de tj-klank [c̟͡ɕ] zit fonetisch geen [j].)

Invloed op de n

De n van plant maken we op de plek van de gewone t: we gebruiken de tandkas. In plant spreek je de n en de t dus op dezelfde plek uit.

In het woord plantje klinkt de n anders. Dat komt doordat daarin geen t-klank zit, zoals we net gezien hebben. In plantje zit immers de tj-klank, een palatale klank. Het gevolg daarvan: de n heeft zich aan die tj-klank aangepast. We zijn hem dus ook palataal gaan uitspreken. Die medeklinker noteren we fonetisch als [ɲ], dus met een staartje aan de eerste poot. Hieronder spreek ik die nj-klank uit, in de vormen nja, anja, anj, nj:

De Spaanse ñ
Deze palatale n-klank hebben ze in het Spaans ook, en daar schrijven ze hem als ñ, zoals in señor. Het Italiaans en het Frans schrijven hem als gn, zoals in seigneur en signore, en het Portugees als nh, zoals in senhor. Maar in al die gevallen hebben we dus te maken met een fonetische [ɲ].


In het Nederlands gebruiken veel mensen deze palatale n-klank ook in woorden als ranja [rɑɲa]. Je zou plantje dus half-fonetisch met die nj-combi kunnen schrijven als planjtje (en heel fonetisch als [plaɲc̟͡ɕə]).

Assimilatie: heel normaal

Zo’n aanpassing van een medeklinker aan een volgende medeklinker is heel normaal voor het Nederlands – ook in de standaardtaal. We doen iets soortgelijks in allerlei andere gevallen.

We spreken het woord aanbellen bijvoorbeeld gewoonlijk uit als aambellen, tenzij we heel aandachtig articuleren. De b maak je met de lippen en daardoor verhuist de n ook naar die plek; het resultaat is een m.

Op dezelfde manier verandert aankaarten in de uitspraak in aangkaarten. De ng-klank en de k maak je tegen het zachte gehemeltje (nog wat verder naar achter dan het harde).

Dit verschijnsel heet assimilatie, een woord dat ‘gelijkmaking’ betekent. Het is geen taalverloedering en het is in onze taal ook niet iets van de laatste tijd: we zien assimilatie al in middeleeuwse teksten. In sommige gevallen wordt de assimilatie zelfs in de standaardspelling uitgedrukt. Het woord aambeeld komt bijvoorbeeld van het Middelnederlandse anebilt, dat in aenbilt veranderde, waarna de n door assimilatie een m werd.

De i

Maar nu die i waar het allemaal om te doen is: waar komt die vandaan? In de uitspraak planjtje zitten twee palatale medeklinkers: de nj-klank en de tj-klank. Zoals die tweede de eerste palataal heeft gemaakt, zo oefent de nj-klank op zijn beurt invloed uit op de klinker ervoor: hij creëert een overgangsklankje tussen de a en zichzelf: plainjtje, of fonetisch [plaɲc̟͡ɕə]. Zo’n i‘tje is een palatale klinker, dus het is heel logisch dat het die klank is die verschijnt. Hieronder hoor je mijn opname van plantje met dat tussenklankje met vervolgens een vertraging van die uitspraak:


Dit i-klankje verschijnt niet in alle variëteiten van het Nederlands, maar ik ken het onder andere uit delen van de Randstad, en ik heb het zelf als Brabander dus ook. Het is bovendien lichter dan in woorden als jointje, dat ik nog niet heb horen rijmen op hondje.

Ik heb nog geen wetenschappelijk onderzoek over dit onderwerp kunnen vinden, maar als dat er wel is, laat het me dan weten, want dan wil ik graag weten wat de bevindingen zijn van de mensen die het verschijnsel degelijk hebben bestudeerd.

Hondje en kransje

Samengevat: het i-tje in de uitspraak van woorden als plantje is het resultaat van een kettingreactie van assimilatie: de j ging met de t samen tot een tj-klank, die maakte van de n een nj-klank, en op zijn beurt zorgde die voor een i-klankje in de overgang vanuit de voorafgaande klinker.

In hondje is exact hetzelfde gebeurd. We schrijven dat woord weliswaar met dj, maar dat is ook gewoon een tj-klank, net zoals we hond uitspreken als hont.

In kransje hebben we met een andere palatale klank te maken. Daarin zijn de s en de j samengesmolten tot een sj-klank, die ook weer niet uit een losse s en j bestaat maar fonetisch als [ɕ] of [ʃ] genoteerd wordt, afhankelijk van de exacte uitspraak. Als ik kransje uit zou spreken met een niet-versmolten s en j, zou je een uitspraak krijgen die je in Nederland niet hoort (maar in Vlaanderen wel):


De palatale sj-klank van kransje heeft hetzelfde met de n gedaan als de tj-klank, met ook hetzelfde gevolg voor de voorafgaande klinker.

Tentje en lintje?

In mijn uitspraak is de i het duidelijkst in woorden met klinkers die je achter in je mond maakt, zoals mandje, hondje en groentje. Dat is logisch, want zulke klinkers liggen het verst van de nj-klank af, dus dan is de i ideaal voor de overbrugging.

Doordat ik er nu zo bewust over nadenk en niks meer op een natuurlijke manier uitgesproken krijg, krijg ik niet goed helder of ik hem ook in woorden met palatale klinkers uitspreek, zoals in tentje, maandje en lintje. Ik denk het niet. Wat doet u, beste lezer?

Het Frans deed het ook

In het Frans heeft zo’n tussen-i‘tje ook bestaan, en in sommige woorden vind je er nog een restje van in de spelling.

Huidige woord montagn(‘berg’) heeft ook een nj-klank, al schrijf je die in het Frans met de letters gn. Hier hoor je mijn benadering van die Franse uitspraak (als [mɔ̃taɲ]):


In het Oudfrans was de spelling anders: montaigne. We weten dankzij reconstructie dat de Oudfranse spelling ai nog stond voor een aai- of ai-achtige klank. In montaigne zat dus ook zo’n i-klankje, en dat had dezelfde ontstaansoorzaak: het was geschapen door de nj-klank. Hier hoor je de gereconstrueerde uitspraak van montaigne (als [mũntãɲə]):

Oudfranse restjes in het Nederlands
We zien die Oudfranse uitspraak van ai nog terug in woorden die we in de middeleeuwen aan die taal hebben ontleend, zoals paaien, fraai en pais (en vree), die van paiier, vrai en paiz komen, de voorlopers van payer, vrai en paix.

Het Engels nam het Oudfranse montaigne in de middeleeuwen over als mountayne, waarbij de ou voor een oe-klank stond. Dat woord is nu mountain. Je spreekt de ai niet meer uit, maar hij staat nog wel in de spelling.


Sommige Franse woorden hebben de i in de spelling behouden. Een voorbeeld daarvan is seigneur (‘heer’). Dat komt van het Latijnse seniōrem (‘heer’), waar ook het eerder besproken Spaanse señor van afstamt. Tegenwoordig heeft het Franse seigneur een gewone e-klank in de eerste lettergreep (dus fonetisch [sɛɲœˑʁ̥]), alsof je het zou schrijven als segneur:


Maar in het Oudfrans moet het als volgt geklonken hebben, mét i (als [s̺ɛɲøu̯r]):


Een bijzonder geval is oignon (‘ui’). De nieuwe spelling daarvan is ognon, die in 1990 het leven is geroepen omdat de oude spelling oignon een niet-uitgesproken i bevat. Dit is (mijn benadering van) de Franse standaarduitspraak:


Sommige mensen spreken de lettercombinatie oi ook in oignon uit als [wa], zoals in oiseau en de meeste andere woorden, maar dat is een spellinguitspraak die ontstaan is door de verwarrende spelling. De i is in de standaardtaal eigenlijk niet meer dan een restje van de middeleeuwse uitspraak met een i‘tje na de o, zoals in deze reconstructie [ũɲũn]:


Waar zal het naartoe gaan met ons i‘tje? Dat is niet te voorspellen. Misschien wordt het algemeen in Nederland. Mogelijk wordt het steeds sterker uitgesproken, zodat we straks duidelijk hoindje zeggen. Maar voor hetzelfde geld blijft het een uitspraakvariant. En net als in het Frans kan het uiteindelijk weer verdwijnen.

Tot slot

Anderhalve maand geleden is mijn boek Die goeie ouwe taal uitgekomen bij uitgeverij Ambo|Anthos. Sindsdien heeft het van alle kanten goede recensies gekregen. De krant NRC gaf het boek bijvoorbeeld vier sterren (‘Slim en grappig’), Frits Spits van het radioprogramma De Taalstaat noemde het ‘een snoepwinkel’, en auteur René Appel zei: ‘Die goeie ouwe taal staat barstensvol met leuke, door Van Spijk op lichte toon gepresenteerde weetjes.’

In de winkels liep het boek meteen zo hard dat er een week na de verschijning al een spoed-bijprint nodig was. Het gaat nog steeds vlot, dus ik kan hier alvast verklappen dat eind april een officiële tweede druk uitkomt.

Wil jij de 101 stukken vol verrrassende weetjes ook lezen, dan kun je Die goeie ouwe taal onder andere hier bestellen, via de online boekhandel die aan de uitgeverij verbonden is. Het boek is ook verkrijgbaar bij veel boekhandels in Nederland.

2 gedachten over “Plaintjes in het dictee

Voeg uw reactie toe

Geef een reactie op Marion Augusteijn Reactie annuleren

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑